Finance & Control - Loon naar werken
Susanne Piët

Doet u mij een probleem.

Ik heb een probleem, bekent een financiëel directeur, tevens lid van de Raad van Bestuur van zijn bedrijf, een beetje hinnikend, tijdens een gezellig onderonsje aan de receptie van een hotel.
Hij licht toe: We staan in de top-10, maar feliciteer ons maar niet. Mijn voorzitter staat in de Quote-lijst van hoogstbeloonde CEOís. En we hebben extra pech, want we zijn al geen populair bedrijf. En mijn voorzitter heeft ook niet een heel goede uitstraling, om het mild te zeggen.

Nu is nog maar de vraag wat voor probleem hij eigenlijk heeft. Het bestaan van problemen hangt af van onze attributie. Die hangt af van wat wij willen zien (of niet zien) en wat wij al dan niet bereid zijn te veranderen. In dit geval dus: Draait het om financiën, of gaat het om communicatie? Zelf had hij de blik gericht op het imagoprobleem, een uitdaging voor bij voorbeeld zijn communicatieadviseur.

Sinds bedrijven verplicht hun kwartaalcijfers moeten publiceren en sinds je uit de cijfers ook het inkomen van de bedrijfstop kunt plukken is het vraagstuk van beloning van topmanagers een openbaar gespreksonderwerp geworden. En daarmee een probleem. De beloning is voor maatstaven van het publiek exorbitant hoog immers,zeker in vergelijking met beloning van de andere werknemers van het bedrijf, zeker in vergelijking met andere ondernemers in het land. Daarom heeft men zich in de communicatie op een andere vergelijking geworpen: die met de beloningen in het buitenland.

Ik vind het eerlijk gezegd, ook in mijn beroep als communicatiestrateeg, nog een wonder hoe gemakkelijk de zwaar gehonoreerde CEOís in Nederland wegkomen met de magere argumentatie die zij voor de rechtvaardiging van hun inkomensniveau in de lucht houden. De meest misbruikte uitdaging voor de verbeeldingskracht is: we moeten een internatonaal beloningsniveau hanteren, anders lopen de genieeën weg uit Nederland. Soms, min of meer in het verlengde hiervan komt nog een andere reden aan bod: als de CEO van een company niet een internationaal in aanzien staand godsvermogen verdient, geloven de beleggers/aandeelhouders niet meer in de kracht van de onderneming.

De argumentatie wordt soms met min en soms met meer verve naar voren gebracht. Je mag als directeur blij zijn met een president met karma.
De aimabele versie vertolkte bijvoorbeeld de heer Antony Burgmans, president van Unilever (Op de begeleidende foto,saillant detail, poserend bij een bordje waarop, ongetwijfeld humoristisch bedoeld, staat: Donít ask me Iím only the chairman)in het ,voormalig kritisch, opinieweekblad Vrij Nederland:
Wij Nederlanders hebben een egalitaire cultuur, en daar druist dit tegenin. Maar we hebben met de internationale realiteit te maken. Je kunt niet alleen maar de voordelen hebben van deelname aan de internationale gemeenschap. Je zult af en toe ook eens moeten slikken.
En dat slikte dus vervolgens ook zijn interviewer.

Slikt de samenleving dat? De samenleving bestaat uit consumenten, die in zekere zin de bedrijven in Nederland financieren. Zij bestaat uit burgers die de overheid subsidiëren. Zij bestaat uit werknemers, die zien dat hun collegaís ontslagen worden, zelfs als zij werken in bedrijven met zwaar beloonde top.
Zij bestaat uit aandeelhouders en beleggers, voor wie het belonen (en het communiceren) allemaal wordt gedaan. Zij bestaat uit mensen die met redenen kunnen twijfelen aan de voordelen van deelname aan internationale gemeenschappen. Zij bestaat (nog) niet uit rebellen.

Dus als het nu aan de gemiddelde Nederlander lag?
De kleinere ondernemers van Nederland, de zogenoemde MKB-ers, vinden desgevraagd in een onderzoek de beloning van de toplieden te hoog. Hoewel 21 procent van hen een topinkomen van 800.000 euro nog kan billijken, blijkt voor de grootste groep 38 procent ieder bedrag boven de 400.000 euro onverteerbaar te zijn. Voorlopig slikken ook zij: Ad Scheepbouwer van KPN vinden zij namelijk top en dan mag het ook van hen dus een onsje meer.

De samenleving slikt het dus nog steeds, maar niet van harte. Eerder uit angst en lafheid, dan overtuigd door de argumentatie. In de bedrijven zelf wordt zorgelijk gepraat over de slechte beeldvorming die het gevolg is van de voortduring van publicaties rond overgeëxalteerde beloningen.
Maar voorlopig wordt de beloningskwestie door de bedrijfstop zelf behandeld als onafwendbaar,oncorrigeerbaar, onvermijdelijk: en blijft zij dus, ook voor financiële directeuren niet meer en niet minder dan: een communicatieprobleem.

Susanne Piët

Terug naar archief