Heel de maatschappij

Toespraak gehouden bij gelegenheid van de opening van het academisch jaar 2004-2005 van de Universiteit voor Humanistiek op 6 september 2004 te Utrecht.

Dr Susanne Piët

Het is met grote dankbaarheid en in nederigheid dat ik de uitnodiging heb aanvaard om voor u te spreken ter gelegenheid van de opening van het academisch jaar. De nederigheid lijkt op gespannen voet te staan met de pretentie dat ik u iets zou kunnen voorleggen dat interessant zou zijn. Het is dan ook meer zo dat ik graag enige waarnemingen en daaruit voortvloeiende overwegingen met u wil delen.

Ook de titel zou een arrogantie kunnen suggereren. Heel de maatschappij, wie heeft dat overzicht? Ook die aanspraak wil ik graag relativeren. Als ik al over de maatschappij zou durven spreken dan is dat over de westerse, geamerikaniseerde, en zoals ik nader zou willen toelichten: de geadrenaliseerde maatschappij. En het woord heel is dan ongelukkig gekozen, want deze maatschappij is juist smartelijk verbrokkeld en verkaveld: door kloven van menselijke makelij, door verschillen in welvaart en door oppositie in ideologieën en opvattingen.

Het begrip ‘heel de maatschappij’ heeft echter gelukkig ook de potentie om te verwijzen naar een verzuchting om, of liever een beroep op, genezing. Een appèl waarvan ik in dit kader graag gebruik zou willen maken, want ik vermoed dat deze maatschappij na besmetting door het welvaartsvirus in een pathologische toestand verkeert. De geluksneurose vraagt om behandeling.

In navolging van Amerikaans gebruik zijn mensen zich in de tweede helft van de vorige eeuw steeds meer gaan gedragen als consument, met een vastberaden blik op kopen. Pas sinds de afgelopen twee decennia heeft de consumptiebehoefte zich geconcentreerd op een allengs meer onderkende belevingsbegeerte die zich uitte in de bereidheid alles te kopen wat instant geluk kon beloven. Die markthouding werd maatschappelijk zo representatief dat men is gaan spreken van een apart segment van de economie: de beleveniseconomie.

Voor deelnemers aan die economie werd de psychologie daardoor steeds relevanter. Het was de econoom/psycholoog Tibor Scitowsky die al in 1976 een toepasselijke visie presenteerde van de mens als comfortseeker. Deze zoekt zijn heil binnen zijn comfortzone, ergens tussen de aangename prikkel van de uitdaging enerzijds, en anderzijds de veiligheid, ook sociale zekerheid. Zijn mensbeeld werd almaar relevanter, de fun-industrie putte zich uit in het verzinnen van evenementen, producten en diensten die aan deze ultieme balansbehoefte tegemoet kwamen: van bungeenjumpen tot Big Brother, van Trosmegafestaties tot Miljonairsbeurzen. De belevingseconomie bereikte grote hoogten, meetbaar in niveaus van aandelen, ook al verliep het tenslotte met de beleving van de consument niet helemaal zoals in het vooruitzicht gesteld.

Ik wil hier opperen dat de consument wel alle vormen van zaligheid had nagestreefd, maar misschien daarbij zijn ziel had verkocht. En ik wil aankondigen dat er nu een overgangsperiode is aangebroken waarin de mens op zoek is gegaan naar die verloren ziel.

Misschien is het zo gegaan dat de welvaart en de snelle ontwikkeling van de technologie hem tot overmoed, de Grieken noemden dat hybris, hebben gedreven. Hij plaatst zichzelf aan de top van alles, met stip. Overigens niet voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid.

Wat bedoel ik met die hybris? Zijn geloof in het hogere heeft plaatsgemaakt voor het geloof in het maakbare. Zijn geloof in de belofte van het hiernamaals is vervangen door zijn eis van onverwijlde vervulling. De mix van deze twee verleidde hem tot de overtuiging dat alles instant en moeiteloos, zonder eigen investering, te verwerven is. Met alles bedoel ik alles wat alleen de goden werd toegedicht: het vermogen tot het maken van leven, tot overal en altijd aanwezig zijn, tot eeuwige jeugd en onsterfelijkheid.

In deze tijden hebben we dus geen goden meer. Zij zijn vervangen door iconen, wier verdienste vooral daarin is gelegen dat zij met hun glamourous levensstijl de illusie materialiseren dat de mens inderdaad van zijn leven een geluksproject maken kan, met zichtbare, verkrijgbare en maakbare middelen als rijkdom, succes en faam. Bijbehorende buzztaal bestaat uit emotiewoorden: passie, kick, flow, uitdaging. De mens kijkt voor het bestaan ervan naar uiterlijkheden, een impuls voor mode en make-up, chirurgie en elektronica. Voor zover er sprake is van een innerlijk oriëntatie geldt deze het opsieren van het eigen comfortabele ik in het kader van een voortgezet streven naar vergroting van het eigen geluk. Dat streven komt voort uit een opgeleefde inspiratie uit de Verlichting.

Het concept van individuele vrijheid en rechten van de mens zou, gecombineerd met de beschreven maakbaarheidovertuiging een sinistere wending krijgen. Want als deze zaken maakbaar zijn dan kunnen zij worden vertaald in een honderd procent eis, grote porties, instant inwilligbaar 24 uur per dag.

Deze zaligheid blijkt menselijkerwijs echter niet op te brengen. De oriëntatie op deze bevrediging van het gelukzalige eigen ik, brengt automatisch met een kwaliteitstoetsing met zich mee. Deze oriëntatie leidt tot vragen als: Ben ik wel gelukkig genoeg? Zal mijn leven niet voor niets zijn geleefd, heb ik alles wel meegemaakt?

Deze snel uitgeputte innerlijke oriëntatie biedt overigens onmiddellijk prikkels voor de aanbieders in de belevenismarkt in de vorm van verder opjagen van deze externe geluksijking. De media staan er vol mee: Heb ik wel de juiste dingen gekocht, verworven? Raak ik niet buitengesloten? Is mijn buurman gelukkiger dan ik? De mens maakt zich zo niet gelukkiger: Als alles verkrijgbaar en maakbaar is, hoe mislukt ben ik dan wel niet dat ik het geluk nog steeds niet ervaar?

Met deze fundamentele innerlijke onzekerheid, zonder steun door geloof in het hogere, en zonder binding met de medemens, (zonder ziel wil ik dus ook zeggen) is de mens behalve consument vooral ook patiënt geworden, passief en angstig, naar Epictetus geïnterpreteerd (het is niet toevallig dat juist de Stoïcijnen in de mode beginnen te raken): het leven leidend van een invalide, en angstiger dan ooit. Hij zou in zijn tijd, maar angstig raak voor de onze, gezegd hebben: Jullie angst betreft niet de vraag of je eten zult hebben, maar of iemand het voor jullie zal koken.

De maatschappij van nu verkeert in de greep van een pathologische angst die geest en lichaam verlamt (freeze), vooral omdat er niet altijd een duidelijk object voor is, maar een angst die wel wordt gevoed door een groot aantal onbestemde dreigingen. Het gevaar loert op ieder mogelijk moment van overal zonder er per se te hoeven zijn. Die stemming wordt vooral ook politiek en commercieel uitgebuit en gevoed, met de hulp van de media.

Waar komt die angst vandaan?

Met name de maakbare technologie heeft de mens de grillige ervaring gegeven van zowel beheersbaarheid als totale onbeheersbaarheid, de dreiging in ieder geval van grote afhankelijkheid, waaraan hij bij falen persoonlijk weinig kan doen. De mens weet dankzij de media en de technologie veel van de dreigingen en rampen in de wereld, maar kan daar persoonlijk niets aan doen. Dreigend gevaar brengt ieder zoogdier en dus ook de mens in een alarmtoestand, fysiek en psychologisch een voorbereiding op de vlucht of het gevecht. Het machteloze zoogdier mens voelt de energie in zich ophopen. De geadrenaliseerde samenleving, een term die ik leen van de Nix generatie, zoekt massaal ontlading, bijvoorbeeld in plaatsvervangend spanningopwekkende events. Zijn leven is een geluksproductie, een aaneenschakeling van events, van kinderfeestje tot begrafenis, geworden, hij zelf dikwijls een privé-organisator.

De mens verkeert ook met zoveel soortgenoten, dat hij ze als bedreiging van zijn eigen unieke ik ervaart, met name in de geürbaniseerde samenleving. Dit leidt tot geweld en vandalisme, en tot maatschappelijke twijfel over de wenselijkheid van integratie en contact. Opvallend is de maatschappelijke investering die wordt gepleegd om tijdens festivals, voetbalwedstrijden en dance parties die gevreesde opgekropte energie institutioneel te kanaliseren of bij mislukking te onderdrukken.

Daarbij leeft de mens dankzij iconenadoratie en technologie in een schizofreniserende beeldcultuur, die zijn levensovertuiging en innerlijke zekerheid uiteenslaat en die hem verhindert om in de enige waarschijnlijke conditie voor het geluksbeleven, het hier en nu te zijn. Hij is als de toerist die eindelijk, dankzij inspanningen van de toeroperator, staande voor de piramide die hij zijn leven lang al wilde zien, zich afvraagt wat ze die avond zullen eten en of zijn haar wel goed zit.

De schizofrene patiënt ziet zichzelf in iedere handeling en bedenking als het ware gadegeslagen door een camera, een verschijnsel dat door psychologen is beschreven als een innerlijk becommentariërend oog, al moet gezegd worden dat hij tegenwoordig ook daadwerkelijk vrijwel permanent wordt gadegeslagen door veiligheidscamera’s. De consument wordt zo dus de vormgever van zijn eigen privé-imago, waarbij hij moet vechten tegen het scharen van binnen- en buitenbeeld. Wie is de imagodrager en wie ben je zelf nog. Het is een maatschappelijk probleem dat dus niet alleen sterren parten speelt, maar ook managers, in het algemeen political en organisational men, mensen dus die zich zo goed kunnen aanpassen dat zij er carrière mee maakten. Angst voor verlies of ontkenning van de eigen onvervreemdbare individuele betekenis leidt niet zelden tot verder aanpassend gedrag en dus tot vergroting van de gewraakte innerlijke angst. Een groot eigentijds probleem is dat mensen zich zo afhankelijk maken van het oordeel van anderen, dat hun innerlijke oriëntatie geheel in beslag wordt genomen door getob over de vraag of men in orde is.

Dat bovenstaande angst zelfvoedend is verhindert niet dat er ook van buiten nog een schepje bovenop wordt gedaan. Economisch gezien moet men namelijk uit vermeende overlevingsdrang, groei, meer winst, groter marktaandeel, hogere koersen, verbeterde concurrentiepositie, steeds meer markten creëren. Zonder de uitbating van de pathologische angst door middel van verzonnen emotionele toegevoegde waarden en aangewakkerde behoeftes zou dit een welhaast onmogelijk karwei zijn geweest. Men is inmiddels vele stappen en vele varianten verder dan de gouden ring van zelfvertrouwen, die met tandpasta in het vooruitzicht werd gesteld.

En dan de angst die smeult op de sintels van een restgeloof. Zou het ook zo zijn dat in dit tijdperk van aan Google uitbestede kennis toch nog ergens in zijn achterhoofd een vermoeden wolkt dat goden straffen voor hybris? Het lijkt er haast wel op. Sterker nog, je zou geloven dat de angst voor het mogelijk verlies van die welvaart en andere vermeende verworvenheden de mens in een verlammende greep houdt. Er wordt ook geopperd dat vernietiging ervan een straf voor hybris is. De massale commotie rond 9/11, alsof de jaartelling sindsdien een herordening heeft ondergaan, de mythologisering van vijanden als Saddam Hoessein of Bin Laden lijken op magische toverformules van dergelijke dreiging, waarbij voor de bezwering een beroep wordt gedaan op een christelijke cultuur, zeker in de teksten van de president van de Verenigde Staten. Zijn optreden illustreert ook hoe politiek gebruik kon worden gemaakt van de geschetste pathologische angst. Zonder die angst was er geen vruchtbare kweekbodem geweest voor de acceptatie van het concept pre-emptive war, ingeleid door een chanterend beroep: wie niet met ons is, is voor de terrorist.

Intussen worden mensen dankzij deze ontwikkelingen banger dan ervoor voor wat zij niet kenden: andere culturen, andere gewoontes, andere verschijningsvormen. Zeker is, zoals onderstreept, dat ook economische spelers op de kapitalistische markt baat hebben bij het voeden van deze angst: zo immers blijft de mens hardnekkig consument. Emotiewoorden zijn gevaar, dreiging: code orange, vergelding, terrorisme, misdaad. De beveiligingsindustrie bloeit.

Nu ik bij de economie ben beland en dus ver weg uit de sferen van geluk, wil ik toewerken naar de waarneming dat de maatschappij in een overgangsperiode verkeert. Economische wetenschappers houden er verrassenderwijs veelal een eigen geloof op na: het geloof in de golfbeweging. Dat wil zeggen dat zij, afhankelijk van hun eigen model, gebaseerd op historische statistiek uit de laat negentiende- en twintigste eeuw, hun eigen ritme schetsten waarin de welvaart zich beweegt van recessie naar overspanning en terug.

Op de een of andere manier dringt zich hier de associatie aan mij op met de verering van het gouden kalf in de bijbel, die werd onderbroken door de ontvangst door Mozes van de stenen tafelen. Ook toen was mijns inziens het punt bereikt van economische overspanning. De enorme activiteit tegenwoordig tot het maken, versterken en veranderen van wetten, normen (abusievelijk in één adem genoemd met waarden), keurmerken en toezicht op toezicht kan worden gezien als een autoriteitsinterventie op het ongebreideld botvieren van materiele welvaart en de pret.

Op grond van het geloof van deze economen en op grond van allerlei andere signalen uit de markt meen ik een kentering te kunnen constateren. Ik noem signalen in de media van een massale teleurstelling over het uitblijven van geluk, de angst voor de leegte en verveling. Je leest over de ervaring van onrecht en verongelijktheid, met name als er grote rechtszaken spelen. De vele succesboeken over het verwerken van persoonlijke problematiek of ziekte wijzen op een opleving van het streven naar erkenning van eigen betekenis en het zoeken van verbinding. Zelfs in het amusement vind je het zoeken van het publiek debat. Ook is onmiskenbaar de verhoogde populariteit van de filosofie, bijvoorbeeld terug te vinden in de titels van krantenbijlagen. Ik concludeer hieruit: de mens had zijn ziel voor zaligheid ingeruild, maar wil nu zijn ziel terug.

De kentering wordt ondermeer ook gemarkeerd door voorzichtige verschuivingverkenningen (vaak als vermaaksonderwerpen in bladen en op radio en televisie aangeboden) op het gebied van waarden: goed en kwaad, echtheid en schoonheid, moed en heldendom, waarheid en illusie, zin en onzin. Ik noem een paar oefenterreinen, zoals de publieke discussies over het gedrag van royalty, wethouders en voetbalhelden en de wereldwijde onthutsing over de documentaire Fahrenheit 9/11 van Michael Moore. Ik noem ook het entree van populaire reportages over operaties, praatprogramma’s over het levensverhaal, aandacht voor voedsel en gezondheid. Verder is kenmerkend de discussie over de echtheid van bijvoorbeeld uitspraken, foto’s en geluidsopnames. De maanlanding zou een fake zijn. Ook signaleer ik het in zwang raken van lang in onbruik geraakte begrippen als offer en lijden (bijvoorbeeld Harry Potter). De trailertekst van de door miljoenen over de hele wereld bekeken film Lord of the Rings III luidde:

there is no victory without loss;
there is no joy without pain;
there is no happiness without suffering.

Dit alles wijst op de nadering van een belangrijke verandering in de massamoraal. Geluk heeft kennelijk, in de nieuwe opvatting, wil het echt iets waard zijn, een prijs. Het komt niet zonder persoonlijke investering: in dat besef ligt het begin van de ommekeer. En daarin ligt ook de kiem van mijn geloof in een andere menselijke maakbaarheid: mensen kunnen zichzelf tot consument, zelfs tot patiënt maken, maar zij kunnen zich ook verheffen. Het geeft mij hoop dat ik daarvoor ook concrete aanwijzingen meen te zien, die overigens zeer relevant zijn voor een eventueel bloeiende tweede fase in de beleveniseconomie. Ik zie tekenen van de visie dat geluk géén Big Deal is, te organiseren via megamanifestaties, maar in een Klein Hoekje ligt, slechts betrapbaar door de magische omweg van het ontoevallige toeval. En hoe bewerkstellig je dat? Door de oriëntatie op iets, iemand, buiten jezelf in plaats van in jezelf, op geven in plaats van op ontvangen, misschien tegen een prijs te bemachtigen. Die overtuiging begint langzaam post te vatten en leidt, ook commercieel, tot de productie van een daarvoor conditioneel bevorderlijke omgeving die vraagt om meer consumentenactiviteit, engagement en medeproductie. Je ziet de verandering aan het aanbod op de emotiemarkt. Het succesvolle attractiepark en bedrijfsevenementen associëren zich met het goede doel, scholieren besteden na hun eindexamen hun ‘sabbatical’ aan ontwikkelingswerk. Pensionado’s gaan na een leven van geld verdienen in onderwijs en zorg.

De verandering is geleidelijk en voorzichtig. Van onder de mainstream vandaan komen de signalen van mensen die zich relatief gesproken ietwat meer naar buiten richten, met een sprankje ideologie, een tikkeltje meer bereidheid tot het doen van moeite, tot activiteit en investering. Maar er schuilt een gedachte achter: passiviteit en ledige consumptiedrift maakt leeg. Die conditie berooft je van iedere ziel. Als je je zo gedraagt lijk je op een dier in een dierentuin, of een mens in een mensenpark, inderdaad. Ook de ijsbeer beerde minder ijs toen hem de vissen in ijsblokken werden aangereikt, in plaats van schoongemaakt, kant-en-klaar.

In de overgangsperiode van de beleveniseconomie die nu is aangebroken wordt de conditie georganiseerd: halfproducten in interieurinrichting, mode en voedsel, een beetje van jezelf, betekenis verwerven door het tijdelijk werken in een ontwikkelingsland, een weekje ziekenhuis tijdens een reis naar Haïti, koppeltje duiken naar Parijs voor een goed doel, teksten met eigen mededelingen laten drukken op je T-shirt, of massaal dineren voor een aidsproject, zorg om het duurzame lot van de panda in De Efteling. Binding met de ander, ook in de toenemende huiselijke samenscholing rond kaasfondue, broodbakken en spelletjes; het zijn aarzelende beginstapjes in de taal nog van consumentisme.

Maakbaar blijkt deze ontwikkeling zeker te zijn, verkoopbaar zelfs. Waarden en failliete overtuigingen maken plaats voor andere: het contact met de ander wordt gezocht, de liefde voor het persoonlijke verhaal leeft, zoals gezegd, op. Behalve de Michael Moore rebellie van Fahrenheit 9/11 die de Verenigde Staten en de rest van de kapitalistische wereld de broodnodige en begeerde stof gaf om over te praten en waarden te toetsen, zijn er ook signalen van andere waarden in de hypes: Ter illustratie van een verandering in appreciatie van moed en helden noem ik de hype van de nieuwe speelfilm Spider-Man 2, waarin de held zich vooral kenmerkt door onzelfzuchtigheid. De held is een jonge dichter, die er, ik citeer de Amerikaanse recensent van de International Herald Tribune, een credo van rechtvaardigheid zonder wraakzucht op nahoudt. De Franse politicus Clemenceau zou al hebben gezegd dat het de ideeën zijn die de mens echt moed geven.

Zulke signalen zetten een toon voor een ontwikkeling. Waar mensen genoeg hebben van hun kinderlijke houding waarin alles in het leven snoepgoed en lekker moet zijn, omdat ze zien waartoe dat heeft geleid, breekt een periode aan waarin zij zoals gezegd meer willen investeren en meer betrokken willen zijn. Het gaat ze niet meer om geluk zondermeer, maar om betekenis, het weten niet voor niets geleefd te hebben. Je zou kunnen beweren dat de mensen meer getraind zijn geraakt in hun emotionele huishouding, ze vallen niet langer ten prooi aan ieder emotioneel appèl, en daarom volwassener wensen ontwikkelen voor hun beleving. Geen genotreflexen en emotionele prikkeling meer zijn in de mode, maar een koppeling van beleving aan waarden, zodat je psychologisch, met bijvoorbeeld Antontio Damasio, kunt spreken van een ander belevingsplateau: gevoelens.

Waarden wegen betekent gewogen waarneming. Ook (massa)perceptie is het gevolg van maakbaarheid. De mens is geen slachtoffer dan dankzij eigen waarneming. Maar de mens wil geen patiënt, geen slachtoffer meer zijn. Hij wil actief zijn en zowel identiteit als betekenis hebben. Hij wil daartoe desnoods zijn levensverhaal herschrijven. Schrijven is een haast massaal middel geworden voor de beschreven nieuwe houding, letterlijk: de boeken van mensen die de betekenis van hun levensgebeurtenissen uit de doeken doen zijn niet aan te slepen. Omgaan met dik zijn, ziek zijn, ontslag nemen: allemaal thema’s voor de boekentop tien.

Een andere houding blijkt, net als apparaatjes en virussen, maakbaar en in het kielzog daarvan geloof, overtuiging en betekenis evenzeer. Dat de mens zich eigenmachtig had gedegradeerd tot consument en daarmee patiënt in de samenleving was evenzeer het gevolg van eigen makelij als zijn mogelijke herdefiniëring, zijn cognitieve herstructurering, en misschien zelfs zijn verheffing zal zijn.

Veranderingen die nog in de lucht hangen zijn vaak merkbaar in de kunst. Vooral in de beeldende kunst is inderdaad een hang waarneembaar naar ideeën en naar het mededelen van jezelf aan anderen met een grotere nadruk op delen dan voorheen. De schrijver Proust is weer populair, de klassieke tragedie wordt alom heropgevoerd, dagboekfragmenten in woord en beeld hangen in de musea en andere belevingswoorden beginnen de markt te veroveren: weemoed, verlangen, mededogen, onzelfzuchtigheid, dichterlijkheid.

Zijn dit tekenen van een genezingsproces uit de angst? Tekenen dat het geloof terugkeert van de mens in zichzelf en in zijn vermogen tot maakbaarheid van de eigen waardigheid, dus tot verheffing in plaats van degradatie? Mijn hoop is er wel op gevestigd. En ik reken op de logica uit de economie zoals die geldt voor markten en op logica uit de psychologie. Die voorspelt namelijk dat het angstniveau van mensen die zichzelf meer waarnemen als veroorzakers en beheersers van hun eigen levensverhaal lager is dan dat van de willoze passieve patiënt, die wacht wat er op hem af komt. Zodra zijn angst slinkt kan hij meer naar buiten kijken en meer, dus bijvoorbeeld ook andere culturen, waarnemen en accepteren voor wat hij ziet.

En dat is de weg tot Heel de maatschappij.

Terug naar archief